Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/vhcamerata/domains/camerata-trajectina.nl/mysql_open.php on line 8


Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Calvijn in de Gouden Eeuw

Een van de kroonjuwelen van de Hervorming was de actieve deelname van de gelovigen aan de eredienst: zij zongen gezamenlijk liederen in de landstaal. Maar daaraan hing wel een muzikaal prijskaartje, vooral bij de calvinisten. Die banden de kerkkoren uit en daarmee de rijke traditie van de polyfone kerkmuziek. Ook mocht er geen orgel meer worden gespeeld en het heeft weinig gescheeld of de orgels waren zelfs uit de kerkgebouwen verdwenen. Het onbegeleide psalmgezang tijdens de eredienst moet voor muzikale oren geen genoegen zijn geweest – de gemeenteleden zongen met luide stemmen melodieën die ze vaak maar half kenden. Maar ook toen het orgelspel halverwege de zeventiende eeuw weer terugkeerde en de gemeenten werden begeleid, bleef het psalmgezang problematisch. Het door elkaar zingen van verschillende psalmberijmingen, het slepende tempo en de individuele versieringen maakten op menig muzikaal commentator meer de indruk van een woest geschreeuw dan van vrome hymnodie.

Toch heeft het calvinisme ook veel mooie muziek opgeleverd. De eenstemmige psalmmelodieën die in Genève ontstonden op de teksten van Clément Marot en Théodore de Bèze hebben talrijke musici tot prachtige meerstemmige composities geïnspireerd. Alleen kwamen die psalmzettingen niet tijdens de eredienst tot klinken – ze waren voor de huiskamer bestemd. Welgestelde burgers die zich muzieklessen konden veroorloven, zongen en speelden samen in de huiselijke kring, of met vrienden. In Nederland bestonden ook de iets officiëlere collegia musica, gezelligheidsverenigingen waarin samen met muziekvrienden gemusiceerd werd. Zij voerden naast Latijnse motetten, Italiaanse madrigalen en Franse chansons ook meerstemmige psalmzettingen uit. Jan Pietersz. Sweelinck bijvoorbeeld was leider van een collegium van Amsterdamse amateurs. Zij zullen ongetwijfeld de psalmbewerkingen van hun dirigent hebben gezongen.

De traditie van meerstemmige psalmzettingen is in Frankrijk begonnen. Tot de eersten die de Geneefse psalmen meerstemmig bewerkten behoorde muziekuitgever Claude Goudimel (1514/20-1572). Goudimel bewerkte de psalmen in een eenvoudige homofone stijl, dat wil zeggen noot-tegen-noot, zodat de teksten goed verstaanbaar bleven. De psalmmelodie ligt bij de meeste zettingen in de tenor, enigszins verscholen onder de sopraan en alt. Goudimel stierf in Lyon in de dagen volgend op de beruchte Bartholomeusnacht (1572), de Parijse bloedbruiloft, toen duizenden Calvinisten werden vermoord.

De beroemdste bewerker van Geneefse psalmen was de componist Claude Le Jeune (1528/30-1600). Hij bekleedde de functie van maître des enfants aan het hof van de broer van koning Hendrik III, Frans van Anjou en later van maistre compositeur ordinaire de la musique de nostre chambre bij de inmiddels katholiek geworden Hendrik van Navarra, nu koning Hendrik IV. Le Jeune bewerkte het psalter op diverse manieren, in eenvoudige en complexe zettingen van de Geneefse melodieën, maar ook als musique mesurées, op vrij zwevende antieke ritmen.

Na Claude Le Jeune werden er in Frankrijk vrijwel geen Geneefse psalmen meer bewerkt. De fakkel werd overgenomen door Jan Pietersz Sweelinck (1562-1621), organist van de Oude Kerk te Amsterdam. Ook hij bewerkte het gehele Geneefse psalter voor vocale stemmen. Het werd een levenswerk doordat hij van elke psalm een uitgebreide polyfone zetting maakte voor 4, 5, 6, 7 of 8 stemmen, vaak van meerdere strofen. De muziek verscheen in vier afleveringen, uitgegeven van 1606 tot 1621. Met de Franse berijmingen van Marot en De Bèze koos Sweelinck voor de internationale traditie. Nederlandstalige polyfonie was een noodlijdend genre met een erg kleine afzetmarkt. Andere componisten bewerkten het psalter wel in het Nederlands, zoals de Amsterdammer David Jansz Padbrué, de Delftenaar Cornelis van Schoonhoven en de Deventenaar Lucas van Lenninck. Vrijwel al deze muziek is verloren gegaan.

Verder waren er in de Republiek de eenvoudige zettingen van Goudimel en Le Jeune, waarop de Nederlandse berijmingen van Datheen zonder problemen konden worden gezongen. Bij ingewikkeldere zettingen was dat moeilijker, maar er is in elk geval een Nederlandse vertaling verschenen van de Octonaires de la vanité et inconstance du monde van Claude Le Jeune (1641). Het boek is echter verloren gegaan. De titelpagina kennen we alleen van schilderijen van de familie De Claeuw: 'Octonaires ofte Zede-schetsen van de ydelheydt en onstantvastigheyd des werelts.' Naast de talrijke vocale zettingen van het Geneefse psalter zijn de psalmen veelvuldig voor instrumenten bewerkt. Uiteraard voor het orgel, waarop psalmimprovisaties verplichte kost waren voor stadsorganisten als Sweelinck, Hendrick Speuij en Anthony van Noordt. Maar de psalmen werden ook door luitisten bewerkt, zoals Nicolas Vallet, die uit Frankrijk naar Amsterdam was gekomen, waar hij een dansschool startte. In 1615/16 bracht hij drie prachtige luitboeken uit, waaronder de Vingt et un pseaumes de David. De 21 psalmzettingen zijn bijzonder doordat ze de psalmmelodie in lange noten laten zingen terwijl de luit er virtuoze (schijn-)polyfonie omheen weeft. Bij psalm 12 wordt de melodie zelfs drie keer gezongen, achtereenvolgens door sopraan, tenor en bas, zoals in een orgelpsalm van Sweelinck de psalmmelodie door de verschillende registers gaat. De Utrechtse beiaardier Jacob van Eyck moest ook veel psalmen spelen. Van zijn klokkenmuziek is niets opgeschreven. Toch kunnen we ons een voorstelling maken van Van Eycks improvisaties dankzij zijn blokfluitboek Der fluyten lusthof (Amsterdam 1644-ca.1655), waarin ook variaties op psalmmelodieën zijn opgenomen.

De consequente voorkeur van calvinisten voor psalmen, door hun leidsman Calvijn ingegeven, had ook een keerzijde. Andere dan bijbelse liederen waren aanvankelijk niet toegestaan. Men veroordeelde de doopsgezinden, die 'schriftuurlijke' liederen dichtten waarin weliswaar bijbelpassages verwerkt waren maar die ook eigen woorden en denkbeelden bevatten. 'Mensenwerk' in de ogen van de calvinisten, bovendien vaak geschreven op wereldlijke melodieën. Toch gingen in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer calvinisten liederen dichten. Predikanten als de remonstrant Dirck Raphaelsz Camphuysen, auteur van Stichtelycke rymen (1624), en de rechtzinnige Bernardus Busschof beten het spits af, gevolgd door talrijke andere dichtende dominees en gelovigen, zoals de Eibergse voorganger Willem Sluiter en Utrechtse dominee Jodocus van Lodenstein. Hoeveel Lodensteyns liederen voor mensen betekenden blijkt uit sterfbedbeschrijvingen. Gelovigen stierven met zijn gezangen op de lippen. Geertruy Verbroek bijvoorbeeld zong op haar sterfbed in 1755 een strofe uit Lodensteyns 'De vrolijckheyd van 't Christen leven'. Daarnaast dichtten ook calvinisten die geen predikant waren geestelijke liederen, zoals Jacob Cats, wiens Verzamelde Werken in menig Hollands huisgezin naast de Bijbel prijkten.

© 2009, Louis Peter Grijp

close