Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Johan Schenck: Bacchus, Ceres en Venus (1686)

De opera Bacchus, Ceres en Venus van Govert Bidloo en Johan Schenck was een historische primeur: de eerste Nederlandse opera die ooit is opgevoerd. Dat wil niet zeggen dat het de eerste opera was die in Nederland ging – dat was Lully's Isis, die in januari 1677 in Parijs in première was gegaan en in november van datzelfde jaar in de Amsterdamse Schouwburg werd gegeven. Bacchus, Ceres en Venus was ook niet de eerste Nederlandse opera – dat was De triomfeerende min van Dirck Buysero en Carel Hacquart, gemaakt ter gelegenheid van de Vrede van Nijmegen (1678). Het was Buysero echter niet gelukt de regenten van de Amsterdamse Schouwburg te overtuigen het stuk op te voeren. Opera werd onder meer gezien als een bedreiging van het Nederlandstalige toneel dat sinds jaar en dag op de Schouwburg werd gespeeld. Zo was Theodoro Strycker, die Italiaanse opera's wilde opvoeren, ook niet in de Schouwburg toegelaten. Strycker heeft toen maar zelf een operatheater laten bouwen, aan deë Leidsegracht, dat echter binnen enkele jaren wegens financile problemen moest sluiten (1682).

Met de komst van de beroemde arts en dichter Govert Bidloo (1649-1713) als officieus regent van de Schouwburg (1684) veranderde er echter iets in het sobere, op het Franse classicisme gerichte beleid aldaar. Bidloo wilde het spektakel terug uit de tijd van Jan Vos: sensatietoneel met veel kunst- en vliegwerk. Hij bewerkte onder meer het drama Faëton van de door hem bewonderde Vondel om tot een spektakelstuk, waarin Faëton in volle vlucht door de bliksem getroffen wordt (1685). Bidloo voegde verder veel muziek, koren en dans toe. Het publiek vond het prachtig, maar de kritiek was niet mals: Bidloo had Vondels stuk verkracht, aldus kenners uit de hoek van het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum. Emmers stront in de vorm van schimpdichten en pamfletten werden over Bidloo uitgestort. Hij sloeg terug op oudejaarsavond met een hekelspel over Midas, Koning Onverstand, waarin hij zijn tegenstanders voor gek zette. Dat leverde natuurlijk nog meer stront op.

Bidloo ging echter onverdroten door op de door hem ingeslagen weg en kwam met een heuse Nederlandse Opera, op de Zinspreuk, Zonder Spys en Wyn, Kan geen Liefde zyn (1686). De Amsterdamse gambist Johan Schenck (1660-ca 1720) componeerde er de muziek voor, waarvan een selectie werd uitgegeven onder de titel Eenige gezangen uit de opera van Bacchus, Ceres en Venus (1687). De opera was een succes: hij werd twaalf keer opgevoerd. Maar ook hier oogstte Bidloo spotternij:

  Wilt gij een Op'ra zien van zuipen, zwelgen, brassen,
  Vol Bachenaal-spel, en baldaadige grimassen?
  Gij vindt het alderbest in Bidloos huis verbeeld
  Daar hij voor Bacchus en zijn Wijf voor Venus speelt.


Het draait in de opera allemaal om Venus, van wie de Romeinse blijspeldichter Terentius had gezegd dat zij zou bevriezen zonder het gezelschap van de wijngod Bacchus en Ceres, de godin van de vruchtbaarheid (Sine Cerere et Baccho friget Venus). Kunstenaars als Goltzius en Rubens hadden dit thema al verbeeld, met veel weelderig bloot, maar nu zou het dan op het toneel te zien zijn, en te horen! Bidloo stelt het zo voor dat Bacchus en Ceres zich van Venus hebben afgekeerd, om uiteenlopende redenen. Zij drukken hun volgelingen – wijndrinkers en landbouwers – op het hart de liefde af te zweren. Deze verstoring van de natuurlijke orde der dingen trekt de aandacht van Jupiter, die zijn bode Mercurius naar de aarde stuurt om Bacchus en Ceres tot rede te brengen. Daar heeft hij, samen met Iris die namens Hera optreedt, een groot deel van de opera voor nodig, maar uiteindelijk lukt het en zijn de vreugdezangen niet van de lucht.

Wat op ons de indruk maakt van een flauw mythologisch verhaaltje, moet in de zeventiende eeuw voor menigeen over the top zijn geweest. Er zal overvloedig naakt in te zien geweest zijn, in elk geval van seksgodin Venus. Dat was vaker vertoond, maar meestal door mannen. Van acteur Jan Meerhuysen werd zelfs gezegd dat hij zo knap als Venus was verkleed, dat men hem moest betasten om het verschil met een echte vrouw vast te kunnen stellen. Nu dus de naakte Venus door een actrice, een zangeres! En Bidloo heeft de zuippartijen van Bacchus en zijn gevolg al even plastisch uitgebeeld, onder meer met een dans van de dronken bacchant Botrys. Diens oude makker Sylenus nodigt hem er zingend toe uit, omdat hij zelf niet meer op zijn benen kan staan. Dat zulks diepe indruk heeft gemaakt, blijkt later wanneer we Sylenus' lied terugvinden in het blijspel De bruiloft van Kloris en Roosje (1707). Het wordt daar als een vrolijk drinklied aangeheven. Bidloo had in Schenck de ideale componist aangetrokken, die niet alleen bucolische grollen in muziek kon vertalen maar even goed prachtige aria's voor de diepbedroefde Venus schreef.

Van dit alles is Bidloo's libretto bewaard en daarnaast 28 airs in de genoemde selectie van Schenck zelf, voor één zangstem en basso continuo uitgegeven bij de erven van Paulus Matthijs in Amsterdam. Dat lijkt heel wat, maar er is ook veel weg: de overige airs, alle instrumentale muziek, inclusief de dansen, alle meerstemmige zettingen en wellicht ook recitatieven. In Bidloo's libretto staan nauwelijks aanwijzingen voor de zang, zodat niet te zien is of de teksten werden gezongen, gesproken of als recitatief voorgedragen Dat er recitatieven zijn geweest wordt echter erg waarschijnlijk wanneer we het libretto vergelijken met de opera's van Lully, die in Schencks tijd zo populair waren in Amsterdam en waarnaar de componist zich lijkt te hebben gericht. Bovendien zien we een soortgelijke combinatie van recitatieven en airs in Schencks zetting van het Hooglied, berijmd en uitgebreid door M. Gargon (1696). Als er in Bacchus, Ceres en Venus inderdaad recitatieven zijn geweest (en geen gesproken gedeelten, zoals altijd is aangenomen), is het overgrote deel van de muziek verloren gegaan.

Om een idee te geven van de muzikale rijkdom van deze opera hebben we de verloren muziek voor een deel gereconstrueerd. De ouverture en de dansen komen uit Schencks bundel Scherzi musicali (Amsterdam 1698) voor gamba en continuo. Voor de Dans van Landlieden kozen we bijvoorbeeld een vierkante bourrée, voor de Dans van Satyrs een wilde gigue en voor Ceres' offermuziek een verstilde sarabande. Eén dans, een Ballet van Baggus uit de Boerenlieties (ca 1700), bleek erg geschikt voor Bacchus' luidruchtige opkomst. Mercurius daalt uit de hemel op een vliegensvlug capriccio en Venus op een gracieuze prelude, muziek die indertijd het geknars van de katrollen moest overstemmen van de lift waarin het vervoer van en naar de hemel plaatshad. We hebben deze stukken omgewerkt voor een bezetting zoals die ongeveer moet zijn geweest aan de Amsterdamse Schouwburg in de jaren 1680: een ensemble van een dozijn instrumentalisten, waaronder in elk geval een klavecimbel en een fagot. De dansen zijn door ons gezet voor twee bovenstemmen en een bas, zoals ook schouwburgcomponisten als Servaas de Konink en Hendrik Anders dat deden. Een tour de force was de ouverture, ofwel het Voorgaande Maatgespel zoals Bidloo het uitdrukte: daarbij bleek de door ons gekozen ouverture voor gamba solo een heuse vierstemmige fuga te herbergen! Enkele recitatieven heb ik opnieuw gecomponeerd naar het voorbeeld van soortgelijke stukken uit Schencks zojuist genoemde zetting van het Hooglied. Waar dat volgens Bidloo's aanwijzingen nodig is, hebben we enkele gezangen meerstemmig bewerkt, bijvoorbeeld wanneer een koor van bacchanten en menaden een herhaling meezingt. De muziek van het onmisbare slotkoor ontbreekt. We hebben de betreffende tekst gezet op een passend lied uit Schencks Koninklyke harpzangen (1694). Zo geeft onze reconstructie meteen een dwarsdoorsnee van het werk van deze begaafde Nederlandse componist, die tot nu toe voornamelijk als een uitzonderlijk gambist bekend was.

© 2006, Louis Peter Grijp

close