Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Rederijkers

In de gewesten Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland ontstonden in de vijftiende en zestiende eeuw tientallen rederijkerskamers: dichtgenootschappen die de eer van hun stad of dorp verdedigden in onderlinge wedstrijden. De belangrijkste toetsstenen van de rederijkerskunst waren refreinen – strofische gedichten met een stokregel – en toneelstukken zoals allegorische spelen van zinne en komische esbattementen. Als wedstrijdcategorie nam het gezongen lied een aanmerkelijk minder prestigieuze plaats in. Er konden wel prijzen worden behaald met liederen, maar die waren – afgemeten in onsen zilver – aanmerkelijk minder kostbaar dan die voor refreinen of toneelstukken.
Toch speelde muziek een belangrijke ondersteunende rol bij rederijkersevenementen. Er werd gezongen en gespeeld bij de intredes en andere schitterende optochten die een groot deel van de wedstrijdpret uitmaakten. Er werden prijzen uitgeloofd voor de kostbaarste uitdossing, de mooiste wagen en dergelijke. Ook in de toneelstukken werd gezongen en met name de facties, korte revue-achtige spelen, werden besloten met een danslied. Daarbij moet het er levendig aan toe zijn gegaan. De facties werden doorgaans op straat gespeeld en bij het slotlied gingen zowel de spelers als het publiek zingend en hossend rond. In Brugge werden traditioneel leijsfeesten gehouden, wedstrijden in het maken van geestelijke liederen. In het Devoot ende Profitelijck Boexcen (1539) is een aantal van dergelijke leijsen opgenomen met namen van de auteurs erbij. Een van hen is Laureys Baert, die met een Marialied de eerste prijs haalde.

Een van de grootste wedstrijden ooit gehouden is het Antwerpse landjuweel van 1561. Het landjuweel is een bijzonder type wedstrijd uit Brabant, waarbij de winnende kamer de organisatie van de volgende wedstrijd op zich nam. In normale omstandigheden was dat na drie jaar, maar het Antwerpse juweel liet lang op zich wachten in verband met de oorlog tussen Frankrijk en Spanje. Na de Vrede van Cateau-Cambrésis in 1559 was de weg echter vrij voor dit grootse evenement. In een vredeslied van de Antwerpse kamer der Violieren wordt het stadsbestuur gevraagd gunstig te oordelen over 'ons voorstel', ongetwijfeld het juweelplan. Medewerking van de stad was onmisbaar, want het ging om een massa-gebeuren. In de intree-optocht reden maar liefst 1328 man te paard mee, afgezien nog van het voetvolk – waaronder talrijke muzikanten, vaak stadsspeellieden van de deelnemende steden. Van het Antwerpse juweel is een aantal liederen bewaard, waarvan enkele met muziek – een polyfoon welkomstlied en enkele factieliederen.

Van de rederijkers die bij name bekend zijn is Matthijs de Casteleyn (1484-1550) een van de beroemdsten. Deze Oudenaerdse priester, auteur van een Conste van rhetorike, schreef een bundel Diversche liedekens, die ettelijke malen herdrukt werd, voor het laatst nog in 1616 in Rotterdam. Bijzonder is dat Casteleyn ook zijn eigen melodieën componeerde, terwijl de meeste rederijkers hun liedteksten op bestaande wijzen dichtten. Hoewel Casteleyns melodieën eenstemmig zijn genoteerd, doet hun schrijfwijze een polyfone context vermoeden. In elk geval is een aantal liederen van Casteleyn ook in meerstemmige zettingen bekend. Ook van de Bruggeling Eduard de Dene, die tientallen liederen naliet, is een tekst meerstemmig gezet. Een en ander doet vermoeden dat de rederijkers directe lijnen hadden naar professionele componisten – zangers, zangmeesters, stadsmuzikanten. Het Hollandse madrigaal dat de Leidse stadsorganist Cornelis Schuyt op een intreetekst uit 1596 componeerde, illustreert dit. Het is duidelijk dat achter de vele bewaard gebleven rederijkersteksten, waarvan het muzikale aspect hoogstens met een wijsaanduiding is aangegeven, een rijke muzikale wereld schuilgaat.

De rederijkers zongen ook buiten wedstrijdverband. Evenals in hun refreinen kunnen 'vroede' (geestelijke), amoureuze en zotte liederen worden onderscheiden. De laatste categorieën komen we tegen in het Antwerps liedboek (1544), anoniem maar als rederijkersprodukten te herkennen aan prince- en oorlofstrofen en aan de kunstige rijmschema's die pasten op eigentijdse melodieën. Op den duur werd de inhoud van de liederen ondergeschikt aan de virtuoze rijmtechniek. De woorden zijn dan niet zozeer betekenis- als klankdragers, ze zijn onderdeel geworden van de muziek. De liederen bezingen de geneugten van de mei, klagen over mislukte liefdes, hekelen verliefde grijsaards of mannen onder de plak van bazige echtgenotes. De rederijkerstechniek werd spoedig ook buiten de kamers – mannenbolwerken – beoefend. Een recentelijk aan het licht gekomen Marialied van Anna Bijns onderstreept dit.

Louis Peter Grijp

close