Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

De Triomfeerende Min

De Triomfeerende Min is geschreven ter gelegenheid van de Vrede van Nijmegen in 1678. Met deze Vrede kwam een einde aan de oorlog waarmee de Franse ‘zonnekoning’ Lodewijk XIV de Nederlandse Republiek van de kaart had willen vegen. De ellende was begonnen in het Rampjaar 1672, toen een enorm Frans leger oprukte tot aan de Hollandse waterlinie, ten westen van Utrecht. Lodewijk wist zich gesteund door verdragen met Engeland en de bisschoppen van Keulen en Munster. De invasie maakte het volk redeloos, de regenten radeloos en het land reddeloos, zoals de uitdrukking gaat. Uiteindelijk kon het tij worden gekeerd, waarbij de jonge stadhouder Willem III een glansrol speelde. Met de Vrede van Nijmegen kwam er voorlopig een einde aan de Franse agressie.

De dichter Dirck Buysero (1644-1707), in het dagelijks leven lid van de Admiraliteit van de Maas in Rotterdam, nam het initiatief voor De Triomfeerende Min. Hij schreef het libretto en vroeg de gambist Carolus Hacquart (ca. 1640-1701?) er muziek bij te componeren. In het ‘Voorspel’ van de Min bezingen de godinnen Vrede en Geluk de paradijselijke toestand van Nederland vóór het Rampjaar. Als de oorlog uitbreekt heeft dat onder meer tot gevolg dat meisjes zich niet meer aan de liefde willen overgeven. Dat is een ernstige bedreiging van de minnehandel. Het liefdesgodje Kupido spreekt oorlogsgod Mars aan op deze onhoudbare toestand en daagt hem uit er om te vechten. Voordat de ruzie uit de hand loopt komt Venus tussenbeide, de godin van de liefde en moeder van Kupido. Ze verleidt Mars, met wie ze al eerder een relatie had. De oorlogsgod bezwijkt voor haar charmes en toont zich bereid de oorlogshandelingen te staken. Dan wordt het vrede op aarde en barst er een stroom schitterende vreugdezangen los van goden en godinnen, minnaars, minnaressen, herders, boeren enzovoorts.

De Triomfeerende Min staat bekend als de "eerste Nederlandse opera", maar dat is iets te veel eer. Het is eigenlijk een zangspel, dat in de uitgave van 1680 wordt aangekondigd als een "Vredespel, gemengt met zang- en snaarenspel, vliegwerken, en balletten". De scène met Kupido, Mars en Venus, die Buysero grotendeels ontleende aan Les amours de Venus et d’Adonis van Jean Donneau de Visé (1670), wordt geheel gesproken, en zo ook de verbindende teksten tussen de zangstukken. Wel kunnen we de Min als een aanzet tot een Nederlandse opera beschouwen. Buysero zelf ziet in het stuk een "zweemsel naa d’Italiaansche en Fransche Opera, die hier te lande meer vermaart als bekent zyn". Hij wenst dat zijn "Blyspel" moge dienen als een schets voor iets groters dat in navolging van de Italianen en Fransen op het Nederlandse toneel zou moeten worden gebracht. Buysero’s wens gaat in 1686 in vervulling, als Govert Bidloo zijn Bacchus, Ceres en Venus op de Amsterdamse planken brengt, met muziek van een andere gambist, Johan Schenk. Dit stuk kan met recht de eerste Nederlandse opera worden genoemd: het wordt van begin tot eind gezongen en ook luid en duidelijk als "opera" aangekondigd. Camerata Trajectina voerde het in 2006 op en maakte er een cd van.

Toch heeft De Triomfeerende Min al vroeg de roep gekregen ‘de oudste Nederlandse opera’ te zijn. Al in 1920 maakte dirigent Piet van Westrheene een bewerking voor de Arnhemse Bachvereniging. De ontbrekende ouverture componeerde hij er gewoon bij, maar uit respect voor de oude partituur deed Van Westrheene rustig aan met de klarinetten; de trombones liet hij zelfs thuis. Later volgden uitvoeringen in Vlaanderen en bij de KRO. In 1996 verscheen een fraaie uitgave, verzorgd door Pieter Andriessen, in de serie Monumenta Flandriae Musica (Muzikale monumenten van Vlaanderen). Componist Carolus Hacquart was namelijk van Vlaamse komaf.

Het moet voor Buysero een hele frustatie zijn geweest dat zijn pogingen strandden om De Triomfeerende Min op de Amsterdamse Schouwburg uitgevoerd te krijgen. Waarschijnlijk nam men in Amsterdam aanstoot aan de Oranjegezinde toon die uit het stuk sprak. In Amsterdam was in die jaren op last van het stadsbestuur alle politiek op het toneel taboe. Onbekend is of De Triomfeerende Min is gespeeld in Nijmegen, waar diplomatiek Europa zich had verzameld om de vrede te bewerkstelligen. Het stuk moet wel in Den Haag zijn opgevoerd. Constantijn Huygens, secretaris van de Prins van Oranje en groot muziekliefhebber, dichtte daar op 31 december 1678:

  Op Buyseroos Camerspeeltje vande Vrede
  Wat quam’er soet geluyd uijt menigh mond en hart,
  Als ijeder keel de Vred’, het best van alle dingen,
  Soo cierlijck kost besingen,
  Als s’hier besongen werdt.

Het woord ‘kamerspeeltje’ (klein kamerspel) doet vermoeden dat de Min bij de Haagse uitvoering bescheidener van opzet was dan Buysero zich die in de Amsterdamse Schouwburg voorstelde, met kunst en vliegwerk. Na Huygens’ fraaie recensie begrijpen we waarom Buysero de uitgave van De Triomfeerende Min aan hem opdroeg – al zou het goed kunnen dat Huygens vooral enthousiast was over de prachtige muziek van Hacquart. In elk geval beviel hij de componist een jaar later aan bij Prins Johan Maurits van Nassau, in wiens woning in Den Haag (het Mauritshuis) Hacquart graag concerten wilde geven.

Carolus Hacquart, afkomstig uit Brugge in de Spaanse Nederlanden, was enige tijd vóór het Rampjaar naar Amsterdam geëmigreerd, ongetwijfeld aangetrokken door de gunstige economische omstandigheden van de Republiek. Rond 1679 verhuisde Hacquart met zijn gezin naar Den Haag, waar hij inderdaad concerten moet hebben gegeven en waar hij een aanstelling kreeg als organist van de katholieke schuilkerk in de Juffrouw Idastraat. Veel financieel voordeel heeft hij niet gehad van zijn muziek voor De Triomfeerende Min: elf jaar na dato was hij nog doende zijn vorstelijke honorarium van 250 gulden bij Buysero los te peuteren. Een voorafschaduwing van die slechte behandeling zien we al in de gedrukte partituur, waarin Hacquarts naam niet op het titelblad voorkomt, maar helemaal achteraan, op de laatste notenbalk, in kleine letters wordt vermeld.

De Bruiloft van Kloris en Roosje

Buysero heeft meer muziektheaterstukken geschreven, zoals De Ryswykse Vredevreugd, op muzijk (1697), Venus en Adonis met muziek van Hendrik Anders, en De Min- en Wijnstrijd, een herderspel eveneens met muziek van Anders (1697). Veruit het bekendste stuk van Buysero’s hand is De bruiloft van Kloris en Roosje, hoewel daar ook andere dichters aan hebben meegewerkt. Deze klucht is gedurende tweeëneenhalve eeuw jaarlijks uitgevoerd als naspel bij het beroemde treurspel Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel, tot in de jaren ’60 van de twintigste eeuw. Buysero heeft de tekst van het begin geschreven, de rest is van Jacob van Rijndorp (1706), directeur van schouwburgen in Leiden en Den Haag. Van Rijndorps bijdrage is vervolgens voor het Amsterdamse toneel bewerkt door de acteur Thomas van Malsem (1707).

De bruiloft van Kloris en Roosje is volgens het titelblad een ‘Boere-operaatje’, een boertig ‘klucht-spel met sang en dans’. Het speelt zich af in een Hollands dorp waar men een boers taaltje spreekt. De eigenlijke hoofdrollen zijn niet voor Kloris en Roosje maar voor Krelis en Elsje. In de beginscène maakt Krelis Elsje zingend het hof, vooralsnog tevergeefs. Dan bereiden Tomas en Pieternel, de ouders van Kloris en Roosje, het bruiloftsfeest voor en verwelkomen ze de gasten. Als laatsten arriveren Krelis en Elsje, die het inmiddels met elkaar eens zijn geworden. Aan het eind van het stuk, tijdens het boerenbruiloftsmaal, voeren ze het hoogste woord en zingen ze liedjes. Als de bruid en bruidegom naar bed willen wordt er nog één gezamenlijk lied aangeheven en een ‘sluytballet’ gedanst.

Buysero had eerder een pastoraal zangspel geschreven, De vryadje van Cloris en Roosje, op muziek van Servaas de Koning (1688). Hier maakt Kloris Roosje het hof. Uiteindelijk met succes. De bruiloft is dus eigenlijk een vervolgstuk, getransponeerd van een arcadische naar een boertige setting.

De Konings muziek voor De vryadje is verloren geraakt, op een enkele melodie na. Ook van de oorspronkelijke muziek voor De bruiloft is het meeste verloren gegaan, naar men zegt tijdens de brand in de Amsterdamse Schouwburg van 1772. Op deze cd staan enkele liederen en dansen die konden worden gereconstrueerd. Later componeerde Bartholomeus Ruloffs nieuwe muziek in rococostijl.

Louis Peter Grijp

 

close