Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Het Maassluise Hoekertje

Ook voor Maassluis was de zeventiende eeuw een Gouden Eeuw. In 1614 scheidde het vissersdorp zich af van de boerengemeente Maasland dat een paar kilometer landinwaarts lag – de vissers hadden geen zin meer om voor elk wissewasje een half uur naar het dorpshuis te moeten lopen. De kersverse gemeente aan de Maaslandsluis groeide als kool, dankzij de gunstige ligging aan de toenmalige Maasmonding. Bedroeg het aantal inwoners rond 1550 nog zo'n 170, in 1622 waren het er al 2.849, wat wil zeggen dat de bevolking in zeventig jaar zo'n zestien keer is toegenomen. Aan het begin van de zeventiende eeuw was er dus een bevolkingsexplosie. De toenemende welvaart kwam vrijwel geheel voor rekening van de groeiende visserij. Men viste op de Noordzee op kabeljauw en schelvis met hoekers. Deze zeilscheepjes waren genoemd naar de de hoeken of haken waarmee werd gevist. Naast de "kleine" visserij op kabeljauw was er de "grote" haringvaart. In buizen, die groter en steviger waren dan de hoekers, konden de vissers verder wegvaren, naar de Shetland- en Orkney-eilanden of naar de Schotse en Engelse kust. Die reizen duurden twee tot drie maanden. In 1605 lagen er 57 kabeljauwhoekers in de haven van Maassluis, en twee haringbuizen. Het aantal buizen nam daarna snel toe. Waren kabeljauw en schelvis vooral voor lokale consumptie bedoeld, haring was een exportproduct waaraan goed te verdienen viel.

De Sluizers waren trots op hun welvarende gemeente, en dat zijn ze nog steeds. Noem Maassluis geen dorp: het is een stad, krijg je dan verontwaardigd te horen. En inderdaad, dankzij een Koninklijk Besluit van 1824 mag Maassluis zich een stad noemen. Maar al in de zeventiende eeuw begon het vissersdorp te verstedelijken. De visserij bracht veel nijverheid met zich mee: scheepswerven, smederijen, lijnbanen, kuiperijen, zeil- en blokmakerijen, enzovoort. Vanuit de wijde omgeving stroomden plattelanders toe om te profiteren van deze banenmachine. De trots van de bloeiende vissersbranche spreekt uit het kostbare Visserijbord in de Grote Kerk: een houten paneel van 7 meter hoog met schilderingen van zeegezichten en vissen van de hand van de Haagse kunstenaar Abraham van Beijeren (1649). Het bord bevat een gedicht van 36 verzen waarin de lof van de visserij wordt gezongen en God om bescherming gevraagd. Boven het bord bevinden zich twee scheepsmodellen: een hoeker en een buis. Het bord is een geschenk van het College van de Visserij, een lokaal bestuurslichaam waarin zeven reders en twee stuurlieden (zoals de schippers in Maassluis genoemd werden) zitting hadden.

Die trots op de visserij spreekt ook uit de lokale liedboekjes die in Maassluis verschenen, zoals 't Nieuw Maas-Sluysche Hoekertje, 't Maes-sluysche Compas en Maes-sluysse Meeuwe-klagt – alleen de titels al verwijzen naar de visserij. Lokale liedboekjes waren een modeverschijnsel in zeventiende-eeuwse Hollandse steden. De Amsterdamse jeugd zong tijdens het spelevaren op de Amstel uit de Amsterdamsche Vreughde-Stroom (1654), Haarlemse jongens en meisje zongen op weg naar het strand uit de Haerlemsche Duynvreught (1636). Zo waren er ook een Haagsche Nagtegaal, een Rotterdamsche Faem-Bazuyn, enzovoorts. Nadat de meeste Hollandse steden van dergelijke lokale liedboekjes waren voorzien, was Maassluis een van de eerste dorpen die er eentje kreeg: het genoemde Maas-Sluysche Hoekertje van C.L. Denik, waarvan de eerste druk rond 1660 moet zijn uitgekomen. Het zou niet bij één lokaal liedboekje blijven: er volgden een Maes-Sluyse Vrede-krans van Jacob van Dijck (1669), een Scheep-Makertje, 't Maes-sluysche Tydt-verdryf van Gerrit Boxhoorn (1671), Maes-sluysche Compas (zesde druk 1693) en Maes-sluysse Meeuwe-klagt (tweede druk 1701), beide van Frank Arentz Metael, en 't Maes-Sluysche Lust-Hofje van C. de Roy (1684). Dat zijn zeven verschillende bundeltjes. Bovendien zijn enkele van de boekjes vaak herdrukt. De oudst bekende druk van Het Maas-Sluysche Hoekertje bijvoorbeeld is een tiende druk uit 1755, waarin het inmiddels het Nieuw Maas-Sluysche Hoekertje wordt genoemd. Van het Maes-sluysche Compas is zelfs een veertiende druk bekend. Dat zijn indrukwekkende cijfers voor lokale wereldlijke liedboekjes. Een boekje waaruit een eeuw lang is gezongen kun je geen eendagsvlieg noemen, zoals veel van de Amsterdamse en Haarlemse zangbundeltjes dat waren. Maassluis moet het hoogste aantal lokale liedboekjes per hoofd van de bevolking in de hele Republiek hebben gekend.

De Maassluise liedboeken waren wel een stuk serieuzer dan de lokale wereldlijke zangbundeltjes elders. Bevatten die na een enkel plichtmatig loflied op de lokale schonen vooral amoureuse en vrolijke liedjes van allerlei aard, in Maassluis wordt de lof van het dorp keer op keer bezongen. Daarbij klinkt er steeds een calvinistische ondertoon mee. Zelfs in een minneklacht dankt de afgewezen, zielsbedroefde minnaar de hemel dat deze hem heeft behoed voor een verbintenis met een ontrouw vrouwspersoon (track [20]). In een ander lied wordt een meisje benaderd door een rijke boer, maar ze wijst hem af en geeft de voorkeur aan een frisse zeeman. Haar ouders waarschuwen dat ze haar hele leven ongerust zal zijn zodra er een zuchtje wind opsteekt; maar God zorgt even goed voor vissers als voor boeren, weet het meisje [21]. En ook een speels bruiloftslied [22] besluit met de vermaning 's Heren gebod te onderhouden.

Het gaat eigenlijk maar weinig over de liefde in de Maassluise boekjes. Hoofdthema's zijn visserij en godsdienst. Die twee zijn nauw verbonden, zoals al bleek uit het bovengenoemde Visserijbord. Steeds weer wordt de vissers ingepeperd dat ze tijdens hun verblijf op zee afhankelijk zijn van Gods goedheid. 't Hangt aan Gods zegen, schrijft Denik steevast onder zijn liederen in het Hoekertje. Tijdens het noodweer beseffen de mannen dat wel, maar zodra de storm is gaan liggen beginnen ze weer vuile taal uit te slaan [11]. Onbegrijpelijk, vindt een vrome visser in gesprek met een verstandige boer [13]. Een andere vrome visser komt aan het woord in lied [4]: hij hoeft niet te vrezen voor onheil, want hij vertrouwt op God. In zijn Hoekertje laat Denik verschillende zeelui aan het woord, zoals de visser die 's nachts de wacht moet houden en bidt dat God hem wakker zal houden [7]. De buisman dankt God voor de rijke haringvangst van de afgelopen nacht [8]. En zelfs een geestige berijming van alle spulletjes die een vissersman mee moet nemen op zee, wordt met Gods zegen besloten [9].

Kwetsbare punten van de Maassluise nering komen ook naar voren in de liedjes. Een schipbreuk kon grote wonden slaan in de gemeenschap, zoals in 1651, toen een noodlottig noodweer zes schepen met meer dan 60 opvarenden naar de kelder joeg [15]. Tot de Vrede van Munster in 1648 zorgden Duinkerker kapers voor veel ellende. Daarna waren het de Engelse Zeeoorlogen die de visserij een paar keer stillegden. De Tocht naar Chatham (1667), waarbij de Engelse vloot zware schade werd toegebracht, werd dan ook met gejuich ontvangen [12].

Een hoogst originele vermaning biedt Frank Metael in zijn liedboek Maes-sluysse Meeuwe-klagt. Metael hekelt een typische vissersgedraging: het doodslaan van meeuwen met stokken en haken, uit verveling en balorigheid. In zijn openingsgedicht neemt de dichter het voor de meeuwen op: ze doen niemand kwaad en wijzen de vissers zelfs de weg naar plaatsen op zee waar vis zit. Hij beschouwt het slaan van meeuwen als een zonde. Een kleine zonde weliswaar, maar ook die moet vermeden worden, net zoals vloeken, zweren, ruzie maken en 'ijdel kwelen'. Uiteindelijk leiden alle zonden tot de hel. In een lied aan het einde van de Meeuwe-klagt [1] komt dit thema nog eens terug.

Metael was een orthodox calvinist, zoals de meeste Sluizers. Ze kwamen 's zondags bijeen in de Grote Kerk, die in 1639 was gebouwd omdat het oude gebouw te klein geworden was. Er konden 1000 gelovigen in. De groei van de gemeente was niet in de laatste plaats te danken aan de rechtzinnige dominee Johannes Fenacolius, die zich sterk had gemaakt voor de afscheiding van Maassluis van Maasland in 1614 en een onderlinge verzekering voor de vissers had ingevoerd. Kort na deze afscheiding laaide een fel conflict op tussen de orthodoxen en de remonstranten of arminianen, die in enkele theologische kwesties een vrijer standpunt innamen. In een geuzenlied worden de Maassluise arminianen voor uitschot en gespuis uitgemaakt [17]. Die konden nog enige tijd terecht in Maasland, totdat na de Synode van Dordrecht in 1619 de remonstrantse dominee aldaar het veld moest ruimen.

Sindsdien beleed men in Maassluis een zeer orthodox calvinisme. Toen de nieuwe dominee Adrianus Hoyer in 1684 aantrad, werd hem al zingend gevraagd hel en verdoemenis te preken zoals zijn voorganger dat ongetwijfeld ook had gedaan, en geen nieuwigheden op de preekstoel te brengen [19]. Een nieuwigheid die, een eeuw later, op fel verzet stuitte, was verandering in het psalmgezang. De invoering van een nieuwe berijming in 1773 werd nog geslikt, maar er brak opstand uit toen men ook het ritme van de psalmen wilde veranderen: het beruchte Psalmenoproer (1776). De vissers hadden altijd de psalmmelodieën in lange, hele noten gezongen in plaats van het oorspronkelijke ritme van hele en halve noten. Niet alleen in de kerk, maar ook op zee – dag in, dag uit.

We nemen aan dat de Maassluise vissers ook liederen uit hun lokale liedboeken op zee hebben gezongen, al zijn daar geen harde gegevens over. Een blik op de achttiende-eeuwse zangcultuur van vissers biedt J. le Francq van Berkhey, als hij in 1772 schrijft over de Hollandse stranddorpen. De vissers zijn zeer grote liefhebbers van het zingen van psalmen en lofzangen, stelt hij, al beginnen de lossere liedjes en minnedeunen er wel wat invloed te krijgen; maar onkuise liedjes haten ze. De psalmen die ze gewoonlijk op zee en onder het vissen aanheffen, blijven de voorkeur genieten. Tijdens vrolijke partijen hielden ze zelfs wedstrijden in psalmen zingen.

Men kan zich voorstellen dat de liedjes uit het verstedelijkte vissersdorp Maassluis daar ergens tussenin zaten: ze waren lichter dan de psalmen en lofzangen van de oerconservatieve Scheveningse en Katwijker vissers, maar er was altijd die serieuze, stichtelijke ondertoon. Ongetwijfeld hebben de liederen bijgedragen, samen met de vermaningen die de schippers uit zeemansvademecums voorlazen, aan de beschaving van de zeelieden. Berispten Denik en Metael midden zeventiende eeuw de vissers keer op keer wegens onheus taalgebruik, Francq van Berkhey meldde een eeuw later dat het vreselijke vloeken van scheepsmatrozen op de grote vaart een gruwel was in de oren van de gelovige strandvissers.

Iets over de dichters. Met zijn Maas-Sluysche Hoekertje lijkt C.L. Denik degene te zijn geweest die het genre van het lokale liedboek in Maassluis rond 1660 introduceerde. Zoals gezegd ondertekende hij zijn liederen met de spreuk 't Hangt aan Gods zegen, die tevens het devies was van de rederijkerskamer De Mostertblom. Denik zal dan wel lid zijn geweest van die kamer, die in 1617 werd opgericht, kort na de afscheiding van Maasland. Over de persoon Denik is verder niets bekend. Zijn naam is dezelfde als die van een van de welgestelde families die de touwtjes in Maassluis in handen hadden. Archiefstukken uit 1637 en 1638 noemen conflicten van een reder/koopman Cornelis Leendert Denick met een nettenboetster en een vissersweduwe. Dat zou onze dichter kunnen zijn, of een familielid van hem.

Frank Metael, dichter van het Maes-sluysche Compas en de Maes-sluysse Meeuwe-klagt, was van 1684 tot 1691 binnenvader van het weeshuis van Maassluis. Binnenvaders en -moeders moesten in Maassluis gereformeerd en getrouwd zijn maar mochten zelf geen kinderen hebben. Aan die voorwaarden voldeden Frank en zijn vrouw Leuntje, met wie hij in 1663 was getrouwd, toen ze bij het weeshuis werden aangesteld. Daarna kregen ze twee kinderen, Commertje en Pieter, maar ze mochten hun werk blijven doen.

Denik en Metael zijn de dichters van de populairste Maassluise liedboekjes, gezien de talrijke herdrukken. Daartoe kunnen we mogelijk ook de Maes-Sluyse Vrede-krans van Jacob van Dijck rekenen, die in 1669 voor het eerst verscheen maar in elk geval in 1755 werd herdrukt. De boekjes van Gerrit Boxhoorn en C. de Roy lijkt daarentegen geen lang leven beschoren te zijn geweest.

Tenslotte iets over de muziek. De Maassluise liedboekjes wijken in dat opzicht niet af van de gebruikelijke gang van zaken in de Gouden Eeuw. Die hield in dat dichters liedteksten schreven op bestaande populaire melodieën, vaak afkomstig uit het buitenland. De meeste wijzen kwamen uit Frankrijk en Engeland, een enkele uit Italië, zoals lied [20] van deze cd. Die melodieën werden boven de liedteksten aangegeven met een wijsaanduiding. De melodieën zelf werden vooral op het gehoor doorgegeven en maar een enkele keer in een liedboek in muziekschrift genoteerd. Daarnaast werden geestelijke liederen gedicht op psalmmelodieën. Dat gebeurde ook wel in de Maassluise liedboeken. Het lied van de buisman [8], te zingen op de wijs van psalm 103, illustreert deze praktijk.

Louis Peter Grijp

close