Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

In memoriam Louis Peter Grijp (1954-2016)

Jolande van der Klis, in het Tijdschrift Oude Muziek 1/2016


Op 9 januari jl. overleed luitist, liedonderzoeker en hoogleraar Louis Grijp. Zijn dood kwam niet onverwacht: eigenlijk speelde hij al heel lang in blessuretijd, nadat in 2002 bij hem een hersentumor was ontdekt. Maar er is zelden zo virtuoos gebruik gemaakt van de onzekere hoeveelheid tijd die iemand nog was toebedeeld.

De anekdote wil dat de musicologiestudenten Louis Grijp en Jan Nuchelmans, tevens prominente leden van Camerata Trajectina, al fietsend over de Camino de Santiago het plan bedachten voor de concertreeks Pratum Musicum. De vijfde editie daarvan vormde in 1981 de opmaat tot het Festival Oude Muziek. Jan ontpopte zich vanaf die tijd met veel succes als pleitbezorger van de oude muziek in het algemeen, en als programmeur van het Festival in het bijzonder. Louis daarentegen ontwaarde in het plan vooral speelmogelijkheden voor Camerata Trajectina zelf, het ensemble waarvan hij zich gaandeweg tot artistiek leider ontwikkelde. Het is tekenend voor zijn instelling dat hij zich altijd in alle situaties loyaal committeerde aan de vigerende plannen, maar daarbij nooit de mogelijke kansen voor zijn ensemble uit het oog verloor.

Voetenbank

Van jongs af aan had Louis een fascinatie voor de Gouden Eeuw. Toen hij midden jaren ’70 op een facsimile-uitgave van Valerius’ Gedenck-Clanck stuitte, besefte hij dat liederen als ‘Merck toch hoe sterck’ geen oubollige deunen waren voor plaatselijke mannenkoren, maar authentiek verzetsrepertoire uit de Tachtigjarige Oorlog. In 1977 ging het eerste Nederlandse thematische programma van Camerata Trajectina in première. Het sloeg geweldig aan en werd de blauwdruk van alle op 17e-eeuwse liedboekjes gebaseerde programma’s die Louis de komende decennia zou bedenken. Ze waren te horen bij alle nationale herdenkingen en vaak ook in het Festival Oude Muziek.

Maar voor Louis kwam er nog een belangrijk facet bij: anders dan in Valerius bleken die liedboekjes geen noten te bevatten, maar vaak wel de aanduiding ‘op de wijze van’. Dat ontketende vele speurtochten in het Nederlands Volksliedarchief naar de bijbehorende melodieën. Voor teksten zónder wijsaanduiding bracht dat echter geen uitkomst. ‘In dergelijke gevallen’, schreef Louis in 1981 in een toelichting, ‘heb ik gezocht naar andere liederen met overeenkomstige versvorm. Het systeem daarvoor staat nog in de kinderschoenen, maar heeft al enkele vruchten afgeworpen.’

Dat was het begin van de zogenaamde ‘voetenbank’, een database waarin de versvoeten van verweesde liedteksten in gecodeerde vorm werden opgenomen. Het gebruik van de computer voor dit soort onderzoek was toen nog volkomen nieuw, maar leverde bij vergelijking met bestaande melodieën verrassende resultaten op.
In 1986 begon Louis aan een promotieonderzoek dat in 1991 zou resulteren in zijn proefschrift Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Toen werd duidelijk hoe belangrijk zijn onderzoek was geweest: overal in Europa zijn nieuwe teksten op bestaande melodieën geschreven, maar uniek voor Nederland is dat dat ook door gerenommeerde dichters werd gedaan. De gedigitaliseerde gegevens van 5700 liedteksten waren de bonus van het onderzoek. Het door het Meertens Instituut beheerde Volksliedarchief nam de database over, en Louis als wetenschappelijk onderzoeker erbij.

Tesselschade en Hadewijch

Bij Camerata Trajectina kenden ze ook een heel andere kant van Louis, namelijk die van verstrooide professor. Zijn promotie werd dan ook verluchtigd met op bekende wijzen gezongen teksten, waaronder: ‘Waar heb ik dat gelaten / Waar kan het nu toch zijn / Waar is mijn luit gebleven / O! Hij staat nog in de trein.’
Het ensemble, inmiddels naast Louis bestaande uit blokfluitiste Saskia Coolen, gambist Erik Beijer en wisselende zangers, was ondertussen met De hoer van Babylon in de wereld van de 16e- en 17e-eeuwse godsdiensttwisten gedoken. Ook semi-theatrale uitvoeringen deden hun intrede, zoals het hilarische Bredero Amsteldammer, met Louis en Erik als lookalikes van Jacobse en Van Es, destijds bekende typetjes van Kees van Kooten en Wim de Bie. In Geuzenliederen rond Willem van Oranje werd het begrafenislied van de prins door Erik op omfloerste trom begeleid.

Concertreeksen met muziek rond Sweelinck, Huygens en Vondel, Coornhert, Cats en Schuyt werden in de loop der jaren afgewisseld met theatrale producties zoals het alom geprezen Dodendans, met Hans Dagelet als De Dood, en het grootse Tesselschade Festijn in het Muiderslot. Daar werd ook Hoofts treurspel over de moord op Floris V, Geeraerdt van Velsen (1613), voor het eerst met de door Louis van muziek voorziene reien uitgevoerd. Voorafgaand daaraan hadden Louis en zijn vrouw Annemies ten overvloede een feestelijke Tesseldag georganiseerd, waarvoor 126 net als Louis’ eigen dochter naar Tesselschade vernoemde meisjes en vrouwen kwamen opdagen.

Een uitstapje naar de Middeleeuwen was het gevolg van het werk van een wetenschappelijke Vlaams-Nederlandse werkgroep waarvan Louis na zijn promotie deel was gaan uitmaken. De vraag was of de poëzie van de 13e-eeuwse mystica Hadewijch wellicht werd gezongen. Louis zocht en vond een aantal zeer geschikte
trouvère-melodieën. Aanvankelijk stelden de collega-onderzoekers zich sceptisch op, maar toen Camerata-sopraan Suze van Grootel in het Festival Oude Muziek twee Hadewijch-liederen vertolkte, was dat voor iedereen een openbaring.

Jan Steen en Bredero

Begin jaren ’90 begon Camerata aan een ontzagwekkende reeks cd-opnamen. Zoals Jacob van Eyck & Dutch Songs of the Golden Age, die in 1994 de tentoonstelling Music & Painting in the Golden Age omlijstte. Louis had een belangrijke musicologische bijdrage geleverd aan de kloeke catalogus. Hij identificeerde de instrumenten op de schilderijen van de tentoonstelling – onderzoek dat geen precedent had. Maar een komische noot kon er ook nog wel bij: het cd-hoesje vertoonde een fotografische remake van het schilderij Het concert van Jan van Bijlert, een wellustig tafereel, nu uitgebeeld door schaars geklede Camerata-leden.

De schilderkunstige lijn werd voortgezet in de voorstelling Het muzikale huishouden van Jan Steen bij de grote Jan Steententoonstelling in het Rijksmuseum. Hier deed Louis baanbrekend werk door liedjes van Bredero in verband te brengen met Steens boerse taferelen. Projecties daarvan werden begeleid door instrumentarium dat ook daadwerkelijk te zien was, van rommelpot tot haardviool. De Frans Hals-tentoonstelling in Haarlem was eveneens aanleiding tot het vergelijkbare project Peeckelharing. ‘De werkwijze van Camerata Trajectina is simpel. Wij volgen de feestjes!’ liet Louis door het NRC optekenen, en daarvan was niets gelogen.

Een nieuwe, ambitieuze weg werd ingeslagen met de muzikale reconstructie van het incompleet overgeleverde Maastrichts Liedboek, waarvoor Louis samen met Camerata-tenor Nico van der Meel tekende. Niet minder opmerkelijk was het inzetten van Friestalige zangers voor een ode aan de Friese dichter Gysbert Japix, een aanpak die een vervolg kreeg toen voor Het Antwerps Liedboek een team van Vlaamse en Nederlandse stemmen werd samengebracht. Aan die met een Edison onderscheiden opname zat overigens een nieuw wetenschappelijk wapenfeit vast: voor deze scabreuze, al vaker onderzochte middeleeuwse liedverzameling had Louis wederom nieuwe melodieën weten te vinden. Het was een uitvloeisel van de publicatie van Het repertorium van het Nederlandse lied tot 1600, een gezamenlijke Vlaams-Nederlandse onderneming waaraan in 2001 ook een STIMU-symposium was gewijd.

In datzelfde jaar zag ook een andere uitzonderlijke publicatie het licht: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, waarin verschillende musicologen onder redactie van Louis aan de hand van sleutelmomenten de vaderlandse muziekhistorie belichtten. Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur is afwezig en veel door Camerata salonfähig gemaakte thema’s worden erin behandeld. Nog in 2001 volgde Louis’ benoeming in Utrecht tot bijzonder hoogleraar Nederlandse liedcultuur. Meteen bleek dat hij ook hier de gekozen lijn voortzette: zijn inaugurele rede Van Hadewijch tot Hazes werd door Suze van Grootel opgeluisterd met een lied van beiden.

Obrecht en Lijsje Flepkous

In deze hectische periode begon Louis te kwakkelen met zijn gezondheid. Maar wat zich aanvankelijk liet aanzien als een burn-out, bleek bij nader inzien een hersentumor te zijn. Niettemin ging het werk door, zoals voor de herdenking van 400 jaar VOC, waarbij Camerata ook een cd met zeemansliederen uitbracht. Voor de buitenwereld bleek uit niets zijn gebrek aan veerkracht. De juiste move maken op het juiste moment was langzamerhand zijn tweede natuur geworden. Zoals toen hij voor de krant de cd moest aanprijzen. Zijn enthousiasmerende, overigens niet erg accurate samenvatting van een ‘prachtlied over kannibalisme’ luidde: ‘Het gaat over een gestrand schip waarop hongersnood uitbreekt. Nadat alle honden zijn opgegeten, besluit de schipper dat er een matroos aan de beurt is. Daar wordt keurig om geloot, maar niemand wil de beul zijn. Dus moet er wéér worden geloot. De uitverkoren slager ziet zo op tegen zijn taak, dat hij overboord springt, verdrinkt, wordt opgevist en opgesmikkeld. Probleem opgelost! En dat is absoluut echt gebeurd.’

In 2005 werd met grootse plannen een meerjarige subsidie in de wacht gesleept. De aftrap vormde een hoogst origineel programma met liedekens van Obrecht. Daaraan ontbraken voor de verandering bruikbare teksten, en Louis wist Gerrit Komrij over te halen om in rederijkersstijl de poëzie aan te vullen. Tijdens de première in het Festival declameerde de dichter in eigen persoon zijn bijzonder geïnspireerde hertaling van ‘Meschine su chut chiru?’’ In het Komrij’s werd dat: ‘Meisje, is je kutje rauw?’

Ook een andere hartenwens van Louis ging in vervulling: Nederlands muziektheater in de vorm van Johan Schencks Bacchus, Ceres en Venus. Dit vrolijke, semi-theatrale stuk werd in het Festival opgevoerd mét de originele, destijds in de Amsterdamse schouwburg aanwezige instrumentale bezetting. Vervolgens beleefde ook de ‘zingende klucht’ Lijsje Flepkous een Utrechtse première.

Zeven Zonden en Triomfeerende Min

Op basis van deze successen vroeg én kreeg Camerata voor de volgende vierjarenperiode subsidie voor vier theatrale producties. In 2009 kwam De Zeven Zonden van Jeroen Bosch tot stand, een oogstrelende theaterproductie gebaseerd op het gelijknamige schilderij. De voorstelling, met geprojecteerde details van Bosch’ schilderijen, dans, zang en declamatie van Komrij, kreeg lovende kritieken. Maar Louis zelf ontbrak grotendeels. Hij onderging een hersenoperatie, waarbij de tumor maar deels kon worden verwijderd.

Daarna verkeerde Louis lange tijd in wankel evenwicht en kon Camerata, na een reeks reprises van De Zeven Zonden in 2011, van de oorspronkelijke plannen alleen het allegorische vredespel De Triomfeerende Min van Hacquart realiseren. Voor het script liet Louis zich inspireren door Rampjaar 1672, een recent verschenen boek van historicus Luc Panhuysen over het macabere hoogtepunt van de zesjarige oorlog die voorafgaat aan de Vrede van Nijmegen. Met een mix van historische beelden (de gelynchte gebroeders de Witt) en bont uitgedoste allegorische figuren werd ook dat stuk in het Festival Oude Muziek opgevoerd.

Dutch Songs Online

Daarna ging het subsidiebeleid op de schop en kwam tot verdriet van Louis aan de grote projecten een einde. Maar als wetenschapper vierde hij een nieuwe triomf met Dutch Songs Online. Na vijf jaar digitaliseren kwamen bij de Nederlandse Liederenbank nu ook 50.000 complete liedteksten beschikbaar, alsmede alle 930 liedopnamen van Camerata Trajectina. Het was de ultieme bekroning van het veertigjarig jubileum dat Camerata Trajectina eind 2014 vierde.

Louis wist toen al dat zijn einde naderde. In 2015 speelde hij met Camerata nog in het Festival Oude Muziek Dowland in Holland, maar daarna hing hij zijn instrumenten aan de wilgen. Tot het echt niet meer ging bestookte hij zijn collega’s op het Meertens Instituut nog met de plannen die hij in zijn hoofd had. Op 9 januari 2016 overleed hij thuis in Driebergen, en werd een week later in besloten kring begraven. Zijn snaarinstrumenten deden de stoet uitgeleide, waaronder ook zijn geliefde citer die, onstembaar en wispelturig, onder de Camerata-leden bekend stond als ‘het jengelhout’. Maar het ontroerendste was toch de omfloerste trom waarmee de afgelopen veertig jaar zo vaak Willem van Oranje ten grave was gedragen. De doffe doodsroffel van Erik bracht het ultieme eerbetoon aan een unieke musicus en wetenschapper die nog zoveel had willen doen.
 

Louis met zijn geliefde citer in de deuropening van het
huis waar Adriaen Valerius gewoond en gewerkt heeft.
Veere, 2005

 

close