Welkom op de website van Camerata Trajectina. Een ogenblik geduld alstublieft...


Welcome at Camerata Trajectina's website. Please, wait a moment...

Een nieuwe Liedt wy heven aen – Luther in de Nederlanden

De titel van deze cd is ontleend aan het eerste lied dat Luther schreef. Camerata Trajectina besteedt op deze cd aandacht aan de lutherse melodieën in de Nederlanden van de 16de eeuw. Daarmee herdenkt het ensemble dat het in 2017 (op 31 oktober) 500 jaar geleden was dat Luther zijn 95 stellingen in Wittenberg publiek maakte en daarmee het begin van de reformatie inluidde.

Martin – of in goed Nederlands: Maarten – Luther hield van muziek, was een vaardige luitist en had een heldere tenorstem. Hij zag in de muziek een uitstekend middel om God te loven en de geloofsbeleving te verdiepen. Anders dan later bij Calvijn, behielden meerstemmige muziek en orgelspel bij hem een plaats in de eredienst. Naast preken en gedrukte pamfletten en boeken bleken zijn liederen een machtig wapen om zijn boodschap te verspreiden. SomsLuther als Augstijner monnik (Lucas Cranach de Oudere) schreef hij liederen op oude volksmelodieën of gregoriaanse hymnen, maar hij maakte in enkele gevallen ook zelf de melodieën, al dan niet in samenwerking met musici uit zijn kring.

Toen Luthers eerste liederen in 1524 in druk verschenen, werden vrijwel tegelijkertijd ook meerstemmige zettingen van de Wittenbergse hofkapelmeester Johann Walter (1496-1570) gepubliceerd onder de titel Geystliches gesangk buchleyn. Luther schreef het voorwoord bij de uitgave en daarin prees hij meerstemmige muziek met zang en instrumenten nadrukkelijk aan als nuttig middel bij de opvoeding van de jeugd. Walters bundel zou nog vier keer worden herdrukt, waarbij het aantal zettingen groeide.

Luther leefde in Wittenberg onder bescherming van de tolerante Frederik de Wijze, keurvorst van Saksen. Karel V had de rijksban over Luther uitgesproken, dus deze situatie zal hem waarschijnlijk een doorn in het oog zijn geweest. Toch trad hij niet op tegen Frederik, misschien wel omdat deze enkele jaren daarvoor in het college had gezeten dat hem op 19-jarige leeftijd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk had gekozen. Bovendien had hij al zijn troepen nodig om zijn rijk te verdedigen tegen Frankrijk, tegen de hertog van Gelre, en vooral tegen de oprukkende Turken.

Ondertussen was een andere musicus van naam in Wittenberg verschenen: Georg Rhau (1488-1548). Toen Luther in 1519 onder vrijgeleide in het katholieke Leipzig kwam om zich te verdedigen, was Rhau daar de Thomascantor geweest. Rhau schreef voor die gelegenheid een maar liefst 12-stemmige mis. Of dat ter ere van Luther of ter ere van de katholieke kerk was, liet hij in het midden. Maar niet al te lang na deze zogenaamde leipziger Disputation werd hij de stad uitgezet vanwege lutherse sympathieën. Hij vestigde zich vervolgens in Wittenberg als boekdrukker. In 1544 publiceerde hij de bundel Newe Deudsche Geistliche Gesenge. Onder de componisten van de vier- tot achtstemmige zettingen waren Rhaus beschermeling Balthasar Resinarius (ca. 1485-1544?, 26 zettingen), de katholieke Ludwig Senfl (1486-1543?, 11 zettingen) met wie Luther een correspondentie voerde, en de Vlaamse componisten Lupus Hellingk (1493-1541, eveneens 11 zettingen) en Arnoldus de Bruck (ca. 1500-1554, 17 zettingen). Twaalf composities waren anoniem en het ligt voor de hand om te veronderstellen dat die door Rhau zelf waren gemaakt. De bundels van Walter en Rhau werden goed verkocht en verspreidden zich onder lutheranen in heel Europa.

In de Nederlanden drongen de opvattingen van Luther al snel door. Het Augustijner klooster van Antwerpen dat in 1514 gesticht was, speelde daarbij een grote rol. Enkele broeders waren naar de universiteit van Wittenberg gegaan om bij hun ordegenoten te studeren. Luthers geschriften gingen in gedrukte vorm al in 1518 in de stad rond. Karel V kon dit in zijn eigen Nederlanden niet gedogen: de boeken van Luther werden in 1520 verboden en er volgden boekverbrandingen in Leuven, Antwerpen, Gent en Utrecht. Hij stelde ook een inquisitie in, die in Leuven zetelde. Enkele kloosters werden ontmanteld, waaronder die van Antwerpen, Dordrecht en Middelburg. In 1523 belandden de twee vasthoudendste Antwerpse monniken, Johannes van Essen en Hendrik Voes, in Brussel op de brandstapel. Zij werden de eerste martelaren van de reformatie. Voor Luther was dit de aanleiding om zijn allereerste lied te schrijven, in vertaling: Een nieuwe Liedt wy heven aen.



De verbranding van de ketter-prediker Johannes Pistorius (Jan de Bakker)
in Den Haag in 1525. Onbekend van wiens hand deze ets is.


 

De inquisitie was ook in de Noordelijke Nederlanden actief. Van “lutherij” verdachte personen werden in de Gevangenpoort in Den Haag opgesloten. Niet alle gevangenen werden terechtgesteld, maar Jan de Bakker uit Woerden was de hardnekkigste en hij belandde in 1525 op de brandstapel. Hij had in Utrecht gestudeerd en was daar tot priester gewijd. Strikt genomen hoorde hij niet tot de lutheranen, maar tot de zogenaamde sacramentariërs, mensen die de eucharistie niet als sacrament erkenden. Om Luthers visie op de sacramenten te horen was hij samen met zijn oude leermeester Hinne Rode naar Wittenberg afgereisd en tot de conclusie gekomen dat hij het op dit punt niet eens kon zijn met Luther. De terechtstelling van Jan de Bakker werd een grote vertoning, waarbij zelfs landvoogdes Margaretha van Oostenrijk aanwezig was.

Twee jaar later werd de eerste vrouw terechtgesteld: Wendelmoet Claesdochter uit Monnickendam. Bij haar executie vleide ze zich gewillig tegen de staak en hielp de beul met het aanbrengen van een zakje buskruit diep in haar boezem. Dit laatste was een daad van barmhartigheid: de dood zou eerder intreden en zo zouden de allerergste pijnen worden voorkomen. De autoriteiten dachten hervormers af te schrikken, maar de slachtoffers werden door de bevolking als helden gezien. Het is niet verwonderlijk dat er liederen werden gemaakt waarin de helden van de lutherij bezongen werden. Dat deze liederen pas tientallen jaren later in druk verschenen, verwondert evenmin. Het is opvallend hoe dicht sommige zinsneden uit deze liederen staan bij Luthers eerste lied over de verbranding van Voes en Van Essen.


Gedenksteen in Monnickendam

Toch wilde Luther niet dat zijn volgelingen in opstand zouden komen tegen de door God boven hen gestelde overheid – Calvijn zou hier iets later minder moeite mee hebben. Veel aanhangers trokken dan ook naar veiliger oorden en er ontstonden vluchtelingenkolonies, onder andere in Londen, Frankfurt, Wezel en Emden. De Nederlanden zouden nog tientallen jaren overwegend katholiek blijven, de Noordelijke Nederlanden nog meer dan de Zuidelijke.

De nieuwe lutherse liederen werden al snel in het Nederlands vertaald en verspreidden zich, soms via duistere wegen. Het is niet verwonderlijk dat daarbij veel melodische varianten ontstonden. Soms werden melodieën ritmisch pregnanter, soms vlakten ze juist af, bijvoorbeeld door samenzang tijdens de diensten in de vluchtelingengemeenschappen. Luthers eerste lied had zelfs vanaf het begin twee varianten gehad: de ene – die ook nu nog in Duitsland de standaardmelodie is – vinden we in de vroegste liedboeken, de andere in de meerstemmige zetting van Walter. Het is interessant om te constateren dat de Nederlandse vertaling veel beter past op de variant van Walter.

Jan Utenhove (1516-1566) kennen we vooral als degene die in opdracht van de gemeenschap in Emden de eerste Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament maakte. Maar hij was vanaf het begin van de jaren 1550 al begonnen psalmberijmingen te maken, onder andere op lutherse melodieën. Ze werden afwisselend uitgegeven in Londen en in Emden, de steden waar hij lange tijd woonde. Een volledig boek met psalmen en gezangen van zijn hand kwam kort na zijn overlijden uit, in het jaar van de Beeldenstorm.

Een jaar daarvoor was in Antwerpen al Een Hantboecxken inhoudende den heelen Psalter des H. propheete David verschenen, een bewerking van het Bonnisch Gesangbuch uit 1544. Maar dit boek had een aantal zwakke kanten. De muzikale notatie was nogal onhandig, soms zelfs onbegrijpelijk. Bovendien waren veel teksten tamelijk onregelmatig van vorm en dus moeilijk op de melodieën te passen. Willem van Haecht (ca. 1530-na 1585), vooraanstaand lid van de Antwerpse rederijkerskamer De Violieren, completeerde een bruikbaarder berijmd psalter. Hij benutte daarvoor melodieën uit allerlei bronnen, ook calvinistische en lutherse. Daarnaast bevat zijn liedboek zo'n 120 geestelijke liederen. Het zou ruim honderd jaar in gebruik blijven bij de lutherse gemeenschap in Antwerpen. Na de val van Antwerpen in 1585 vluchtte hij naar Aken en vervolgens naar de Noordelijke Nederlanden, waar hij nog enkele geuzenliederen zou schrijven.

Naar de smaak van de in Woerden werkzame predikant Johannes Ligarius (1529-1596) was het allemaal niet goed genoeg. Daarom liet hij in 1589 Dat Woerdische Sangboeck samenstellen. Het bevat berijmingen van alle psalmen en vertalingen van vrijwel alle lutherse liederen. Daarnaast is er een inleiding met een korte biografie van Luther en een vertaling van Luthers voorwoord bij Walters bundel, waarin “geystliche lieder” steevast vertaald wordt met “Psalmen ende Geestelijcke Liedekens”. De berijmingen trekken de psalminhoud soms naar de eigen tijd door de heidenen te vervangen door vijanden en het lijdende volk Israël door de verdrukte aanhangers van de reformatie. Helaas is de eerste druk van dit boek verloren gegaan en moeten we ons behelpen met een herdruk uit 1625.

Ligarius was opgegroeid in Oost-Friesland en had op kosten van de stad Emden gestudeerd in Wittenberg. In Emden kwam hij in contact met de Nederlandse vluchtelingen. Op hun aanraden toog hij in 1566 naar Antwerpen om daar te preken. Maar hij moest de stad ontvluchten en werd enige tijd veldprediker in het leger van Willem van Oranje. Na weer anderhalf decennium werkzaam te zijn geweest in Oost-Friesland werd hij in 1586 beroepen door de lutherse gemeenschap in Woerden, waar veel Antwerpse vluchtelingen hun toevlucht hadden gezocht. Maar zijn strikt luthers-orthodoxe opvattingen maakten de door velen gewenste samenwerking met de calvinisten onmogelijk. Na vijf jaar werd hij tijdens de dienst van de preekstoel gehaald en buiten de stad gezet. Ondertussen was hij als adviseur wel nauw betrokken geweest bij de oprichting van de Lutherse Kerk in Amsterdam in 1588. Hij keerde terug naar Emden, maar ook daar zou hij na enkele jaren uit de stad worden verdreven.

De lutherse beweging zou in de Nederlanden nooit heel groot worden. Bij het gewone volk zouden de wederdopers meer succes hebben, en de bovenlaag van de bevolking zou uiteindelijk meer zien in het politieker ingestelde calvinisme. De opstand tegen Spanje en de opkomst van de calvinistische Nederduits Gereformeerde Kerk gingen uiteindelijk hand in hand. Toch waren enkele lutherse liederen ook bij de calvinisten ingeburgerd en geliefd geworden, zoals Onse Vader in Hemelrijck. De melodieën werden politiek ingezet door ze te voorzien van een parafraserende tekst. Het Gentsch vader-onze is bijvoorbeeld een felle aanklacht tegen de landvoogd, de hertog van Alva. Ook het Drievuldigheidslied Godt den Vaeder woon ons by werd omgevormd tot een bijtend geuzenlied. En Luthers lied Een vasten burch es onsse Godt kon zelfs zonder aanpassing als strijdlied ingezet worden.

De samenstelling van deze cd zou niet tot stand zijn gekomen zonder de onvolprezen liederenbank van het Meertens Instituut en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Grote dank gaat uit naar Martine de Bruin voor haar deskundige adviezen.
Deze cd is opgedragen aan Louis Peter Grijp (1954-2016) en Erik Beijer (1959-2017) in grote dankbaarheid voor alles wat zij voor Camerata Trajectina betekend hebben. Zonder hun tomeloze energie zouden wij niet zijn waar wij nu zijn.


Nico van der Meel

close